ECLI:NL:RVS:2013:BZ8731
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- B.P. Vermeulen
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt alsnog verblijfsvergunning na vernietiging afwijzing door Raad van State
De vreemdeling, een Tibetaanse monnik, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 22 september 2011 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de vreemdeling bij terugkeer naar China geen reëel risico liep op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro. Hierbij werd gewezen op het ambtsbericht van juni 2010 en de Vreemdelingencirculaire 2000, die aangeven dat Tibetanen, en in het bijzonder monniken, bij terugkeer aan strikte controles en mogelijke repressie worden blootgesteld.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd waarom de vreemdeling geen reëel risico zou lopen, mede gezien het feit dat de vreemdeling een monnik is en zijn situatie extra aandacht verdient. Het hoger beroep werd daarom gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het besluit van 22 september 2011 vernietigd.
De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, die verband hielden met de behandeling van het beroep en hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd.