ECLI:NL:RVS:2013:BZ8724
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De minister van Justitie wees op 13 april 2010 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. De vreemdeling maakte bezwaar, dat door de minister op 14 maart 2011 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling op 4 oktober 2011 gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De kern van het geschil betrof de vraag of de staatssecretaris terecht kon afzien van het horen van de vreemdeling in de bezwaarprocedure, gelet op een negatief advies van Agentschap NL dat stelde dat de onderneming van de vreemdeling geen wezenlijk Nederlands belang diende.
De Afdeling oordeelde dat het horen van de vreemdeling in bezwaar niet verplicht was omdat de vreemdeling geen nieuwe informatie aanvoerde, maar slechts kritische opmerkingen maakte over het advies dat zorgvuldig en inzichtelijk was opgesteld. Het beroep van de vreemdeling werd daarom ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.
De Afdeling ging ook in op het betoog van de vreemdeling dat de staatssecretaris in strijd met de associatieovereenkomst een substantiële behoefte eiste, maar verwierp dit omdat de omzet van de vreemdeling niet voldeed aan het wettelijk minimumloon en het ondernemingsplan onvoldoende was uitgewerkt.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 11 april 2013 door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de afwijzing van zijn verblijfsvergunning wordt ongegrond verklaard.