ECLI:NL:RVS:2013:BZ8696
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling ondanks medische situatie verantwoord is
De zaak betreft een hoger beroep van de staatssecretaris tegen een uitspraak van de rechtbank die het bezwaar van een vreemdeling tegen een uitzettingsbesluit gegrond had verklaard. De vreemdeling had verzocht om uitzetting achterwege te laten op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 vanwege zijn medische situatie.
De rechtbank oordeelde dat de staatssecretaris de vreemdeling ten onrechte niet had gehoord voordat het bezwaar werd afgewezen. De staatssecretaris stelde dat het advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) voldoende was en dat het horen van de vreemdeling geen ander besluit zou opleveren.
De Raad van State oordeelde dat het bestuursorgaan terecht heeft afgezien van het horen van de vreemdeling omdat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar zou leiden tot een ander besluit. Het BMA-advies en de medische gegevens boden voldoende inzicht in de situatie, waarbij geen sprake was van een medische noodsituatie die uitzetting zou verhinderen.
De Raad vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd.