ECLI:NL:RVS:2013:BZ8675
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige terecht is afgewezen wegens onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan
De minister wees op 4 november 2010 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd af. Na een ongegrond verklaard bezwaar oordeelde de rechtbank op 10 november 2011 dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde echter in hoger beroep dat de vreemdeling geen volledig ondernemingsplan had overgelegd zoals vereist in de Vreemdelingencirculaire 2000, waardoor het advies van de minister van Economische Zaken niet kon worden ingewonnen. De staatssecretaris had de vreemdeling meerdere malen verzocht aanvullende stukken te overleggen, waaronder een onderbouwde marktanalyse en een financieel plan met verificatie door een onafhankelijke deskundige.
De vreemdeling volstond met summiere stukken en verwees naar ondernemerservaring in Ethiopië, wat onvoldoende was om het vereiste wezenlijk Nederlands belang aan te tonen. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris terecht de aanvraag niet voor advies aan de minister van EZ heeft voorgelegd en dat het beroep van de vreemdeling ongegrond moet worden verklaard.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 28 maart 2011 wordt alsnog ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de aanvraag verblijfsvergunning blijft afgewezen wegens onvoldoende onderbouwd ondernemingsplan.