ECLI:NL:RVS:2013:BZ8658
Raad van State
- Hoger beroep
- H. Troostwijk
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ongewenstverklaring vreemdeling en vergoeding overschrijding redelijke termijn
De vreemdeling werd bij besluit van 11 januari 2007 ongewenst verklaard door de minister van Justitie. Tegen dit besluit werd bezwaar gemaakt dat op 3 maart 2010 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling beroep in bij de rechtbank, dat op 20 juli 2011 werd afgewezen. De vreemdeling ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het hoger beroep kennelijk ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd vastgesteld dat de totale duur van de procedure de redelijke termijn van vijf jaar heeft overschreden, aangezien het bezwaar op 25 januari 2007 werd ontvangen en de uitspraak in hoger beroep pas op 11 maart 2013 werd gedaan.
De overschrijding van ruim een jaar werd volledig toegerekend aan het bestuursorgaan. Daarom werd de staatssecretaris veroordeeld tot betaling van een immateriële schadevergoeding van € 1.500 aan de vreemdeling. Daarnaast werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade en proceskosten wegens overschrijding van de redelijke termijn.