ECLI:NL:RVS:2013:BZ8453
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding tewerkstellingsvergunning vreemdelingen
De minister legde appellant een boete van €64.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtten. Appellant stelde zich niet als werkgever te kwalificeren omdat zij geen loon betaalde, geen zeggenschap had en de werkzaamheden via een derde liet uitvoeren.
De Raad overwoog dat het feitelijk werkgeverschap niet afhangt van een arbeidsrelatie of gezagsverhouding, maar van het feit dat appellant de vreemdelingen feitelijk arbeid liet verrichten. Dit werd bevestigd door eerdere jurisprudentie. De werkzaamheden vielen binnen de bedrijfsomschrijving van appellant, waardoor zij als werkgever in de zin van de Wav moest worden aangemerkt.
Verder stelde appellant dat de boete gematigd had moeten worden vanwege het ontbreken van verwijtbaarheid. De Raad oordeelde dat appellant onvoldoende maatregelen had getroffen om overtreding te voorkomen en dat zij wist van de werkzaamheden. Daarom was matiging niet op zijn plaats.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de boete van €64.000 wordt bevestigd.