AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging vergunning sloop schuur ondanks bezwaren over asbest en monumentenwet
Het college van burgemeester en wethouders van Nuth verleende aan Corio International Beheer B.V. een vergunning voor de sloop van een schuur/stallingsruimte op het perceel Hoofdstraat 84 te Schimmert. Appellanten maakten bezwaar tegen deze vergunning, onder meer vanwege een onvolledig asbestinventarisatierapport en de aanwezigheid van een nabijgelegen rijksmonument. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en dat oordeel is in hoger beroep bevestigd.
De Raad van State oordeelde dat de Brummen-jurisprudentie niet van toepassing is omdat het huidige besluit geen voortzetting is van een eerdere procedure die was vernietigd. Het onvolledige asbestrapport leidde niet tot vernietiging omdat niet is aangetoond dat de rechtbank onjuist heeft geoordeeld. Ook de stelling dat de gemeente en vergunninghouder de veiligheid moeten waarborgen werd bevestigd, waarbij de rechtbank terecht vond dat de voorschriften voldoende zijn.
Verder werd geoordeeld dat de sloopvergunning niet geweigerd hoeft te worden op grond van de Monumentenwet 1988 omdat het bouwplan geen wijziging aan het monument betreft. Het betoog dat de weigeringsgrond in de bouwverordening verbindende kracht mist, werd door de Raad bevestigd. Ook de bezwaren over archeologisch onderzoek werden onvoldoende onderbouwd. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de sloopvergunning wordt bevestigd.
Uitspraak
201208065/1/A1.
Datum uitspraak: 27 maart 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellant sub 1]
2. [appellant sub 2] (hierna tezamen en in enkelvoud: [appellant]), beiden wonend te Schimmert, gemeente Nuth,
tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 6 juli 2012 in zaken nrs. 11/913 en 11/930 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Nuth.
Procesverloop
Bij besluit van 20 juli 2010 heeft het college aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid Corio International Beheer B.V. (hierna: Corio) vergunning verleend voor het slopen van een schuur/stallingsruimte op het perceel Hoofdstraat 84 te Schimmert (hierna: het perceel).
Bij besluit van 19 april 2011 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 6 juli 2012 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
Daartoe in de gelegenheid gesteld, heeft vergunninghoudster een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellant] heeft een nader stuk ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting, gelijktijdig met het hoger beroep in zaak nr. 201208064/1/A1, behandeld op 5 februari 2013, waar [appellant], en het college, vertegenwoordigd door mr. E.J.M.M. Peeters en A.H.F. Laeven, beiden werkzaam bij de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar Corio, vertegenwoordigd door mr. H.H.B. Lamers, advocaat te Maastricht, gehoord.
Overwegingen
1. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat de zogeheten Brummen-jurisprudentie van de Afdeling op deze zaak van toepassing is. Hij voert hiertoe aan dat de rechtbank heeft miskend dat de aanvraag die heeft geleid tot de sloopvergunning van 17 april 2007 niet verschilt van de aanvraag die heeft geleid tot de sloopvergunning die thans voorwerp van geschil is. Materieel gaat het om dezelfde aanvraag voor dezelfde sloopplannen, aldus [appellant].
1.1. Bij besluit van 17 april 2007 heeft het college aan Corio vergunning verleend voor het slopen van de schuur/stallingsruimte op het perceel. Bij uitspraak van 4 juni 2008 heeft de rechtbank de door [appellant] tegen dit besluit gemaakte bezwaren gegrond verklaard en het besluit vernietigd. Tegen deze uitspraak zijn geen rechtsmiddelen aangewend.
1.2. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de Brummen-jurisprudentie, waaronder de uitspraak van de Afdeling van 17 mei 2006 in zaak nr. 200507265/1, niet op dit geschil van toepassing is. In die uitspraak heeft de Afdeling overwogen dat het niet instellen van hoger beroep door een bestuursorgaan tegen een uitspraak van de rechtbank waarin zij hetgeen het bestuursorgaan aan zijn besluit ten grondslag heeft gelegd uitdrukkelijk en zonder voorbehoud heeft verworpen, tot gevolg heeft dat in het vervolg van de procedure wordt uitgegaan van de juistheid van de aan de vernietiging ten grondslag gelegde overwegingen.
Het college heeft naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2008 de sloopvergunning van 17 april 2007 bij besluit van 1 juli 2008 ingetrokken. De op 12 mei 2010 ontvangen aanvraag om de thans in geding zijnde sloopvergunning en de daaropvolgende besluitvorming van het college kunnen derhalve niet worden aangemerkt als het vervolg van de procedure die heeft geleid tot de uitspraak van de rechtbank van 4 juni 2008. De rechtbank heeft daarom terecht overwogen dat de Brummen-jurisprudentie niet op dit geschil van toepassing is.
Het betoog faalt.
2. Ingevolge artikel 8.1.1, eerste lid, van de Bouwverordening Nuth 2008 is het verboden bouwwerken te slopen zonder of in afwijking van een vergunning van burgemeester en wethouders (sloopvergunning).
Ingevolge het derde lid verbinden burgemeester en wethouders aan de sloopvergunning slechts voorschriften over:
a. de veiligheid tijdens het slopen;
b. de bescherming van nabijgelegen bouwwerken;
c. het scheiden en het op de sloopplaats gescheiden houden van het sloopafval, ten minste inhoudende een scheiding in een fractie asbest, een fractie gevaarlijk afval en een fractie overig afval.
Ingevolge artikel 8.1.2, derde lid, wordt in de aanvraag gemotiveerd aangegeven of het te slopen bouwwerk asbest bevat. Asbest wordt niet vermoed aanwezig te zijn indien bij de aanvraag een van de volgende gegevens wordt overgelegd:
a. een afschrift van het asbestinventarisatierapport van een onderzoek, uitgevoerd door een deskundig asbestonderzoeksbedrijf, waaruit blijkt dat er zich geen asbest in het te slopen bouwwerk bevindt.
Ingevolge artikel 8.1.6, eerste lid, moet een sloopvergunning worden geweigerd indien:
a. de veiligheid tijdens het slopen onvoldoende is gewaarborgd en door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;
b. de bescherming van de nabijgelegen bouwwerken in verband met het slopen onvoldoende is gewaarborgd en door het stellen van voorschriften niet op een voldoende peil kan worden gewaarborgd;
c. een vergunning ingevolge de Monumentenwet 1988 of een provinciale of een gemeentelijke monumentenverordening is vereist en deze niet is verleend.
Ingevolge het tweede lid moet een sloopvergunning eveneens worden geweigerd indien is te verwachten dat door het slopen het stads- of dorpsbeeld ernstig zal worden geschaad.
3. Het betoog van [appellant] in hoger beroep inzake het onvolledige asbestinventarisatierapport behelst slechts de constatering dat uit dat rapport blijkt dat de onderzoeksdelen drie en vier van de schuur/stallingsruimte, die ongeveer een derde van de oppervlakte van de schuur/stallingsruimte uitmaken, niet op asbest zijn onderzocht. Nu [appellant] niet heeft aangevoerd waarom de overwegingen van de rechtbank op dit punt onjuist zouden zijn, leidt het betoog reeds daarom niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak.
4. [appellant] betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het niet aan hem is om door middel van een deskundigenrapport aan te tonen dat zijn panden door de voorgenomen sloop worden aangetast. Het is aan de gemeente en aan vergunninghoudster om aan te tonen dat de sloopwerkzaamheden op veilige wijze kunnen en zullen worden uitgevoerd, aldus [appellant]. Dit geldt temeer nu het om zeer oude panden gaat.
4.1. De rechtbank heeft terecht overwogen dat met de in de vergunning opgenomen voorschriften de veiligheid tijdens het slopen voldoende is gewaarborgd. Het college heeft zich op het standpunt mogen stellen dat, mede gezien de omvang van de sloopwerkzaamheden en de omstandigheid dat, naar het college ter zitting heeft verklaard, er bij de sloop op wordt toegezien dat geen schade aan de belendende panden wordt toegebracht, geen aanleiding bestond aan de sloopvergunning specifiekere of stringentere voorwaarden te verbinden dan die thans aan de vergunning zijn verbonden. De rechtbank heeft tevens terecht overwogen dat er, gelet op de situatie ter plaatse, van mag worden uitgegaan dat er voldoende ruimte is rondom de te slopen schuur/stallingsruimte om tot een veilige manier van slopen over te gaan. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat zich tussen de schuur en de woning van [appellant sub 1] aan de [locatie] een gebouw bevindt, namelijk de tot appartementen verbouwde woning op het adres Hoofdstraat 84. De ouderdom van de door [appellant] bedoelde panden geeft geen aanleiding de overwegingen van de rechtbank onjuist te achten.
Het betoog faalt.
4.2. Het betoog van [appellant] dat de rechtbank heeft miskend dat de mogelijkheid om vergunninghoudster privaatrechtelijk aansprakelijk te stellen voor schade aan zijn pand, geen rol mag spelen bij het al dan niet verlenen van de sloopvergunning, leidt evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak, nu de rechtbank deze mogelijkheid terecht als een overweging ten overvloede van het college heeft beschouwd.
Het betoog faalt.
5. [appellant] betoogt tevergeefs dat de rechtbank heeft miskend dat de sloopvergunning had moeten worden geweigerd wegens het ontbreken van een vergunning als bedoeld in artikel 11 vanPro de Monumentenwet 1988. Volgens [appellant] is een zodanige vergunning noodzakelijk wegens de aanwezigheid van de als rijksmonument aangewezen St. Remigiuskerk op het perceel aan de Hoofdstraat 86. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 december 2012 in zaak nr. 201113278/1/A1), ziet artikel 11 vanPro de Monumentenwet 1988 slechts op het pand waaraan ter uitvoering van het bouwplan veranderingen worden aangebracht. Nu het bouwplan geen wijziging aan de St. Remigiuskerk betreft, faalt het betoog van [appellant] reeds daarom.
6. [appellant] betoogt verder dat de rechtbank er, in navolging van het college, ten onrechte van uitgaat dat uit onder meer de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 1994 in zaak nr. S03.93.4439 (Gst. 1994, 6988, 10) volgt dat de weigeringsgrond zoals die is opgenomen in artikel 8.1.6, tweede lid, van de bouwverordening, verbindende kracht mist. Hij voert hiertoe aan dat uit de uitspraak van de president van de rechtbank Breda van 22 augustus 1994 in zaak nr. 94/2262, de uitspraak van de president van de rechtbank Amsterdam van 14 juni 1994 in zaak nr. 94/930, de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 4 juni 2008 in zaak nr. 07/1748 en de uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2009 in zaak nr. 200805244/1, volgt dat de bedoelde bepaling wel degelijk verbindend en van toepassing is.
6.1. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 3 maart 1994 overwogen dat artikel 8.1.6, tweede lid, van de bouwverordening verbindende kracht mist. Nu het ten tijde van belang geldende artikel 8 vanPro de Woningwet wat het slopen betreft niet is gewijzigd ten opzichte van artikel 8 vanPro de Woningwet dat gold ten tijde van de uitspraak van de Afdeling, bestaat geen aanleiding thans anders te oordelen over de verbindendheid van artikel 8.1.6, tweede lid, van de bouwverordening. De rechtbank is hier terecht van uitgegaan. De uitspraak van de Afdeling van 18 maart 2009, waarnaar [appellant] verwijst, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat in die zaak de vraag of de in geschil zijnde sloopvergunning wegens strijd met een overeenkomstige bepaling uit de bouwverordening ten onrechte was verleend, niet aan de orde was.
7. Met betrekking tot het archeologisch onderzoek dat volgens [appellant] is vereist, volstaat hij met een verwijzing naar hetgeen hij in beroep bij de rechtbank heeft aangevoerd. De rechtbank is daarop gemotiveerd ingegaan. [appellant] heeft in hoger beroep geen redenen aangevoerd waarom de weerlegging van de desbetreffende gronden en argumenten in de aangevallen uitspraak onjuist, dan wel onvolledig zou zijn. Er bestaat derhalve in zoverre geen aanleiding voor vernietiging van de aangevallen uitspraak.
8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. D.J.C. van den Broek, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.A.B. Montagne, ambtenaar van staat.