ECLI:NL:RVS:2013:BZ5223
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel heeft op 7 september 2012 een aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage heeft dit besluit op 28 september 2012 vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de procedure werd de behandeling aangehouden in afwachting van prejudiciële vragen aan het Hof van Justitie over de uitleg van de richtlijn 2004/83/EG betreffende erkenning van vluchtelingen en personen die internationale bescherming behoeven.
Na ontvangst van de antwoorden van het Hof en het verhandelde ter zitting op 5 maart 2013, oordeelde de Afdeling dat er geen aanleiding was om aanvullende prejudiciële vragen te stellen. Het hoger beroep van de minister werd kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de voorzieningenrechter bevestigd.
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op €944,00, toe te rekenen aan rechtsbijstand door een derde partij.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de voorzieningenrechter en verklaart het hoger beroep van de minister kennelijk ongegrond.