ECLI:NL:RVS:2013:BZ5212
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling dat uitzetting vreemdeling op grond van medische gronden verantwoord is
De minister voor Immigratie en Asiel wees het verzoek van de vreemdeling af om op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 de uitzetting achterwege te laten vanwege medische redenen. De vreemdeling maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze afwijzing. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde het beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen met inachtneming van de overwegingen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom geen uitzettingsbeletsel bestond. De minister had terecht een gedeeltelijk medisch advies gevraagd vanwege onduidelijkheid over de identiteit en nationaliteit van de vreemdeling, en had toegezegd dat uitzetting niet zou plaatsvinden indien niet aan de reisvoorwaarden kon worden voldaan.
Voorts oordeelde de Raad dat de minister bij de bezwaarprocedure terecht had afgezien van het horen van de vreemdeling, omdat redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar niet tot een ander besluit zou leiden. De Raad verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd.