ECLI:NL:RVS:2013:BZ4978
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- R. Uylenburg
- Rechtspraak.nl
Vernietiging CBR-besluit verplichting medewerking onderzoek rijgeschiktheid bij bezit gebruikershoeveelheid drugs zonder verklaring
Appellant werd op 16 november 2010 door de politie aangehouden in verband met het bezit van een gebruikershoeveelheid drogerende stoffen. Het CBR legde op basis van de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid een verplichting tot medewerking aan een onderzoek naar de geschiktheid op. Deze verplichting was gebaseerd op een bepaling uit bijlage 1 bij de Regeling, die vereist dat uit een verklaring van betrokkene aan de politie moet blijken dat de aangetroffen gebruikershoeveelheid voor eigen gebruik is.
Appellant had echter tegenover de politie geen verklaring afgelegd over de reden van het bezit van de drogerende stoffen. De rechtbank oordeelde dat het CBR ook zonder verklaring mocht besluiten tot de verplichting, indien het buiten twijfel stond dat het om eigen gebruik ging. De Afdeling bestuursrechtspraak stelt echter dat de tekst van de regeling duidelijk vereist dat een verklaring is afgelegd, en dat het ontbreken daarvan betekent dat niet aan de voorwaarden voor oplegging van de verplichting is voldaan.
De Afdeling vernietigt daarom het besluit van het CBR van 25 maart 2011 en herroept het besluit van 25 november 2010. Tevens veroordeelt zij het CBR tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De uitspraak van de rechtbank Breda wordt eveneens vernietigd en het beroep gegrond verklaard.
Uitkomst: Het besluit van het CBR om appellant te verplichten mee te werken aan een onderzoek naar rijgeschiktheid wordt vernietigd wegens het ontbreken van een vereiste verklaring over eigen gebruik van drugs.