Uitspraak
201105046/1/H1), is voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel nodig dat er aan het bestuursorgaan toe te rekenen concrete ondubbelzinnige toezeggingen zijn gedaan door een daartoe bevoegd persoon, waaraan rechtens te honoreren verwachtingen kunnen worden ontleend. Niet is gebleken dat namens het college dergelijke toezeggingen zijn gedaan waaraan [appellante] het gerechtvaardigd vertrouwen kon ontlenen dat het college niet handhavend zou optreden tegen de bewoning van de paardenstal. In de brief van 5 juni 1996, waarnaar [appellante] verwijst, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor dat oordeel. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat het college daarin aan [appellante] heeft medegedeeld dat zij in de paardenstal mag verblijven mits dat niet ontaardt in bewoning. Het enkele feit dat de paardenstal is geregistreerd ten behoeve van de Wet waardering onroerende zaken, kan niet tot het oordeel leiden dat het college het recht op handhaving zou hebben verwerkt, te minder nu thans sprake is van een expliciet verzoek om handhaving van derdebelanghebbenden.