Uitspraak
200100019/1JB 2002/242), kan bij de beoordeling van de verjaring van een vordering tot vergoeding van schade, gebaseerd op een onrechtmatige daad van een bestuursorgaan, aansluiting worden gezocht bij het civiele recht. Uit een oogpunt van rechtszekerheid dient er daarbij vanuit te worden gegaan dat de in artikel 3:310, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek gestelde verjaringstermijn van vijf jaren een aanvang neemt op het tijdstip, waarop de onrechtmatigheid van het besluit, waarop het verzoek is gegrond, onherroepelijk vast staat.