Uitspraak
201107891/1/R3overweegt de voorzitter dat indien tussen een veehouderij en een geurgevoelig object niet de in de Wgv of de hierop gebaseerde verordening genoemde afstand wordt aangehouden, niet zonder meer mag worden aangenomen dat daar een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd. In een dergelijk geval dient door de raad te worden gemotiveerd waarom ter plaatse van het geurgevoelig object niettemin een aanvaardbaar verblijfsklimaat kan worden gegarandeerd. Een dergelijke motivering ontbreekt in de stukken. Gelet daarop acht de voorzitter niet uitgesloten dat de Afdeling zal oordelen dat het bestreden besluit in zoverre niet berust op een deugdelijke motivering.