ECLI:NL:RVS:2013:BZ2809
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- D. Roemers
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens Dublin-verordening en EVRM-toetsing
De vreemdeling diende op 7 januari 2009 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel, welke werd afgewezen. Een tweede aanvraag op 27 juni 2012 werd eveneens afgewezen op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De voorzieningenrechter had ten onrechte geoordeeld dat het tweede besluit van gelijke strekking was als het eerste, waardoor het beroep niet ontvankelijk zou zijn.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde deze uitspraak en beoordeelde het besluit van 14 september 2012 inhoudelijk. Uit het Eurodac-systeem bleek dat Italië verantwoordelijk was voor de asielaanvraag volgens de Dublin-verordening. De vreemdeling stelde dat de overdracht aan Italië strijdig was met artikel 3 EVRM Pro vanwege onvoldoende bescherming in Italië.
De minister verwees naar eerdere jurisprudentie en concludeerde dat geen sprake was van een situatie die strijdig is met artikel 3 of Pro 13 EVRM. De Afdeling bevestigde dit oordeel, oordeelde dat het interstatelijk vertrouwensbeginsel terecht werd toegepast en dat het beroep ongegrond is. De overige beroepsgronden werden niet behandeld omdat deze niet in hoger beroep waren aangevoerd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning bevestigd.