ECLI:NL:RVS:2013:BZ2791
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit minister over feitelijke gezinsband vreemdelingen met referent
De vreemdelingen vroegen verblijf aan bij de referent, houder van een verblijfsvergunning asiel. De minister wees het verzoek af omdat volgens hem geen feitelijke gezinsband bestond tussen de referent en vreemdelingen 2 en 3, aangezien zij tot het overlijden van hun moeder in juni 2008 tot haar gezin behoorden en de referent pas in oktober 2008 Somalië verliet.
De vreemdelingen stelden dat de periode waarin de referent zorg droeg voor vreemdelingen 2 en 3, van juni tot oktober 2008, wel voldoende was om een feitelijke gezinsband aan te nemen. De rechtbank had nagelaten deze vraag te beoordelen, wat de Raad van State als onjuist beoordeelde.
De Raad van State oordeelde dat de minister niet had gemotiveerd waarom de korte periode onvoldoende was voor een gezinsband. Daarom werd het besluit van de minister vernietigd voor zover het bezwaar van vreemdelingen 2 en 3 ongegrond werd verklaard. De rechtbankuitspraak werd voor dat deel vernietigd, voor de rest bevestigd.
De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het griffierecht aan de vreemdelingen. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 22 februari 2013.
Uitkomst: Het besluit van de minister werd vernietigd wegens onvoldoende motivering over het ontbreken van een feitelijke gezinsband tussen de referent en vreemdelingen 2 en 3.