ECLI:NL:RVS:2013:BZ2063
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit verblijfvergunning wegens niet tijdig gebruik beëdigde tolk
De vreemdeling verzocht om een verblijfsvergunning asiel, welke door de minister voor Immigratie en Asiel op 21 november 2011 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarna hoger beroep werd ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Centrale discussie betrof het gebruik van een niet beëdigde tolk door de staatssecretaris. Artikel 28 van Pro de Wet beëdigde tolken en vertalers vereist dat bij afwijking van het gebruik van een beëdigde tolk dit schriftelijk en gemotiveerd wordt vastgelegd. De staatssecretaris had dit pas in hoger beroep gedaan, niet tijdig in de besluitvormingsfase.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het besluit niet had vernietigd vanwege het niet tijdig voldoen aan deze verplichting. De Afdeling vernietigde daarom het besluit en verklaarde het beroep gegrond. Echter, omdat de staatssecretaris alsnog schriftelijk had gemotiveerd waarom een niet beëdigde tolk werd gebruikt, bepaalde de Afdeling dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.
Tot slot veroordeelde de Afdeling de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. Hiermee werd het belang van correcte naleving van de Wbtv benadrukt, zonder dat het besluit zelf onherroepelijk werd vernietigd.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning wordt vernietigd wegens niet tijdige schriftelijke motivering van het gebruik van een niet beëdigde tolk, maar de rechtsgevolgen blijven in stand.