Uitspraak
201011757/14/R1geen aanleiding voor een ander oordeel. De tekst van artikel 1.4 van de Chw is duidelijk en niet voor meer dan één uitleg vatbaar. Voor zover het college erop wijst dat volgens een wetsvoorstel tot wijziging van de Chw artikel 1.4 van de Chw alleen van toepassing zal zijn op besluiten van een tot de centrale overheid behorend bestuursorgaan, wordt overwogen dat dit wetsvoorstel thans geen geldend recht is en niet kan afdoen aan artikel 1.4 van de Chw zoals dat nu luidt.
201202085/1/R1is het beroep van Ymere en anderen tegen de reactieve aanwijzing gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond verklaard en is de reactieve aanwijzing, voor zover die betrekking heeft op de gedeelten van de voormelde plandelen die binnen bestaand bebouwd gebied (hierna: BBG) als bedoeld in de Provinciale Ruimtelijke Verordening Structuurvisie (hierna: verordening) liggen, vernietigd. Dit betekent dat de desbetreffende gedeelten van deze plandelen bekend gemaakt zullen moeten worden en dat daarna de termijn voor het instellen van beroep daartegen een aanvang zal nemen. Nu echter onbekend is wanneer dit gebeurt, kan artikel 6:10 van Pro de Awb wat betreft deze gedeelten van de plandelen niet worden toegepast, gelet op de geschiedenis van de totstandkoming van deze bepaling (Kamerstukken II 1988/89, 21 221, nr. 3, blz. 129). Ook wat betreft de gedeelten van deze plandelen die als gevolg van de reactieve aanwijzing niet zullen worden bekendgemaakt en waartegen de termijn voor het instellen van beroep geen aanvang zal nemen kan artikel 6:10 van Pro de Awb niet worden toegepast.
201007248/1/R1dat dit niet een op het ontwerpplan betrekking hebbend stuk is. Dit stuk behoefde derhalve niet ter inzage te worden gelegd met het ontwerpplan.
201202085/1/R1behoeft de raad op grond van artikel 22 van Pro de verordening, gelezen in samenhang met artikel 15, in de plantoelichting alleen te verantwoorden in hoeverre rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten als bedoeld in artikel 15 bij Pro verstedelijking binnen een Nationaal Landschap indien deze verstedelijking buiten BBG mogelijk wordt gemaakt. Voorts heeft de Afdeling in de voormelde uitspraak overwogen dat op grond van artikel 9 van Pro de verordening zowel het gehele gebied dat op kaart 2 behorende bij de verordening als zodanig is aangewezen en de bestaande of de bij een op het moment van inwerkingtreden van de verordening geldend bestemmingsplan toegelaten woon- en niet-agrarische bedrijfsbebouwing daarbuiten tot BBG behoren.