ECLI:NL:RVS:2013:BZ0433
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens gezinsband vreemdelingen
De vreemdelingen hadden een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij de referente, hun moeder met een verblijfsvergunning, te verblijven. De minister wees deze aanvragen af omdat de vreemdelingen niet aannemelijk hadden gemaakt dat zij ten tijde van het vertrek uit Somalië feitelijk tot het gezin van de referente behoorden.
De voorzieningenrechter stelde zich op het standpunt dat de minister zich in redelijkheid op dit standpunt kon stellen, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen van de referente en haar echtgenoot over diverse feiten. Echter, de Raad van State oordeelde dat deze tegenstrijdigheden niet relevant waren voor de vraag of de vreemdelingen feitelijk tot het gezin behoorden, aangezien de echtgenoot al geruime tijd gescheiden leefde van de referente en de vreemdelingen.
De Raad van State vernietigde daarom het bestreden besluit en de uitspraak van de voorzieningenrechter, verklaarde het hoger beroep gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze overwegingen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten ten behoeve van de vreemdelingen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd.