ECLI:NL:RVS:2013:BY9622
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige vrijheidsontneming minderjarig kind vreemdeling in detentie
De vreemdeling werd op 6 februari 2012 een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd, waarbij zij verplicht werd zich op te houden in het Grenshospitium Schiphol en later in het Detentiecentrum Rotterdam/Penitentiaire Inrichting Scheveningen. Op 18 februari 2012 beviel zij in detentie van een kind, dat zonder eigen schriftelijke maatregel eveneens werd vrijheidsontnomen.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelt dat de vrijheidsontneming van het kind onrechtmatig is omdat geen schriftelijke maatregel voor het kind bestond. Dit is in strijd met de vereisten van de Vreemdelingenwet 2000.
Het hoger beroep is voor zover het het kind betreft gegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd. Voor het overige wordt de uitspraak bevestigd. De Afdeling kent het kind een vergoeding toe over de periode van 18 februari tot 10 maart 2012 en veroordeelt de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten.
De zaak benadrukt het belang van een afzonderlijke schriftelijke maatregel voor minderjarige kinderen die in detentie worden gehouden, om rechtmatigheid van vrijheidsontneming te waarborgen.
Uitkomst: De vrijheidsontneming van het minderjarige kind is onrechtmatig verklaard en het kind krijgt een schadevergoeding toegekend.