Uitspraak
200905667/1/H3, waarin is geoordeeld dat van een advies van de Gezondheidsraad dient te worden uitgegaan zolang er geen nieuw advies voor ligt. In dit geval ligt een nieuw advies van de Gezondheidsraad voor, waarvan derhalve dient te worden uitgegaan, aldus [appellant sub 1].
200905667/1/H3, is het maken van onderscheid in een wettelijk voorschrift geoorloofd indien daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan. Uit paragraaf 7.3 van de bijlage volgt dat, in het kader van neurologische aandoeningen, personen met een bewustzijnsstoornis, met uitzondering van de bewustzijnsstoornissen genoemd in paragrafen 7.3.1 en 7.3.2 van de bijlage, voor alle rijbewijzen ongeschikt zijn. Voor het maken van dat onderscheid bestaan in het licht van het doel van de van toepassing zijnde regeling, het bevorderen van de verkeersveiligheid, redelijke en objectieve gronden. De Afdeling acht een onderscheid tussen personen zonder een medische aandoening en personen met een medische aandoening in het licht van dat doel niet kennelijk onredelijk. Dat de bijlagen verschillende medische aandoeningen behandelen acht de Afdeling in het licht van de verkeersveiligheid evenmin kennelijk onredelijk. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat het aannemelijk is dat verschillende medische aandoeningen op verschillende wijzen van invloed kunnen zijn op de verkeersveiligheid, zodat een dergelijk onderscheid berust op redelijke en objectieve gronden. Gelet hierop heeft de voorzieningenrechter terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat paragraaf 7.3 van de bijlage onverbindend moet worden verklaard wegens strijd met artikel 26 van Pro het IVBPR.
200706420/1.
200600043/1, is niet iedere bewustzijnsstoornis te begrijpen als een bewustzijnsstoornis in de zin van paragraaf 7.3 van de bijlage. Gelet op het opschrift van hoofdstuk 7 van de bijlage en het bepaalde in paragraaf 7.1 van de bijlage gaat het bij bewustzijnsstoornissen in de zin van paragraaf 7.3 van de bijlage om neurologische aandoeningen en niet om bewustzijnsstoornissen die een geheel externe oorzaak hebben, zoals bij een ongeluk of een narcose het geval is, en mag het CBR eerst na onderzoek door een neuroloog tot de conclusie komen dat een bewustzijnsstoornis samenhangt met een neurologische aandoening.