ECLI:NL:RVS:2013:BY8960
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- M.G.J. Parkins de Vin
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling afwijzing machtiging voorlopig verblijf minderjarig kind zonder toestemmingsverklaring
De vreemdeling, minderjarig kind, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn moeder, de wettelijke vertegenwoordiger, in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat niet was voldaan aan het vereiste van een toestemmingsverklaring van de achterblijvende ouder, zoals voorgeschreven in onderdeel C2/6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
De vreemdeling voerde aan dat hij aan de wettelijke vereisten van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 voldeed en dat de afwijzing onterecht was. Daarnaast stelde hij dat het onduidelijk was wie het gezag over hem had en dat zijn vader onvindbaar was. Ook werd aangevoerd dat DNA-onderzoek had moeten worden aangeboden om de biologische afstammingsrelatie vast te stellen.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris bevoegd is om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen maar daartoe niet verplicht is. Het ontbreken van de toestemmingsverklaring rechtvaardigt de afwijzing. Verder was onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de vader onvindbaar was en het beleid omtrent DNA-onderzoek kon niet baten zolang niet aan het toestemmingsvereiste was voldaan. Het hoger beroep werd dan ook ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.