AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging afwijzing vergunning ligplaats woonschip binnen gemeente Zijpe
Het college van burgemeester en wethouders van Zijpe wees op 17 april 2009 de aanvraag van appellant af voor een vergunning om een ligplaats voor een woonschip in te nemen in de Groote Sloot of elders binnen de gemeente. Appellant maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten, maar zowel het college als de rechtbank verklaarden deze ongegrond.
Appellant voerde in hoger beroep aan dat het aanwijzingsbesluit, dat het innemen van ligplaatsen in de gehele gemeente verbiedt, onverbindend zou moeten worden verklaard omdat het de mogelijkheid tot ligplaatsen geheel uitsluit. Tevens stelde appellant dat het onderzoek naar geschikte ligplaatsen onvolledig was omdat een locatie buiten beschouwing was gelaten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat artikel 88 vanPro de Huisvestingswet niet van toepassing is indien geen geschikt water aanwezig is voor woonarken. Het aanwijzingsbesluit is een concretiserend besluit van algemene strekking dat inmiddels onherroepelijk is geworden doordat er geen rechtsmiddelen tegen zijn aangewend. Hierdoor kan de inhoudelijke toetsing van het onderzoek en de Woonbootnotitie 2009 in deze procedure niet meer plaatsvinden.
Verder werd geoordeeld dat het college bevoegd is terug te komen op eerdere bereidheid tot medewerking aan een ligplaats, mede gelet op het besluit van de gemeenteraad om geen voorbereidingsbesluit te nemen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
201112192/1/A3.
Datum uitspraak: 16 januari 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 13 oktober 2011 in zaak nr. 10/3044 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Zijpe.
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2009 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een vergunning voor het innemen van een ligplaats in de Groote Sloot ter hoogte van [locatie] te [plaats] of voor een andere locatie binnen de gemeente Zijpe als ligplaats voor een woonschip aan te wijzen afgewezen.
Bij besluit van 26 oktober 2010 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 oktober 2011 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 17 september 2012, waar [appellant], bijgestaan door E.P. Blaauw, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. Mooij en P. Visser, werkzaam bij de gemeente Zijpe, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 88 vanPro de Huisvestingswet stelt de gemeenteraad geen regels die leiden tot een algemeen verbod van het in gebruik nemen of geven van een woonschip op een ligplaats.
Ingevolge artikel 5.3.2, eerste lid, van de Algemene plaatselijke verordening Zijpe 2010 (hierna: APV) is het verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water.
2. Het college heeft bij besluit van 25 maart 2009 een aanwijzingsbesluit genomen, waarin al het openbaar water in de gemeente Zijpe is aangewezen als gebied waar het verboden is met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor een vaartuig beschikbaar te stellen.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat geen grond bestaat voor het oordeel, dat het in de APV neergelegde stelsel dan wel de daaraan gegeven uitvoering zich niet verdraagt met artikel 88 vanPro de Huisvestingswet. Nu het aanwijzingsbesluit het innemen van een ligplaats binnen de gehele gemeente Zijpe onmogelijk maakt, dient het onverbindend te worden verklaard, aldus [appellant].
[appellant] betoogt daarnaast dat de rechtbank heeft miskend dat het college het standpunt, dat in de gemeente Zijpe geen geschikte ligplaats beschikbaar is, ten onrechte heeft gebaseerd op argumenten die op regelgeving zijn gestoeld. In het in opdracht van het college door Bügel/Hajema Adviseurs B.V. verrichte onderzoek naar de geschiktheid van ligplaatsen is het water De Groote Sloot ten zuiden van [plaats] aan [locatie] ten onrechte buiten beschouwing gelaten, aldus [appellant].
3.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 september 2008 in zaak nr. 200708524/1) mist artikel 88 vanPro de Huisvestingswet toepassing, indien een gemeente niet beschikt over water dat geschikt is voor ligplaatsen van woonarken.
3.2 Het college heeft aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 17 april 2009 het aanwijzingsbesluit ten grondslag gelegd. Het aanwijzingsbesluit is gebaseerd op de door het college en de raad van de gemeente Zijpe op 24 maart 2009 vastgestelde Woonbootnotitie 2009. Hierin is vermeld dat, gelet op het beleid van het Rijk, de provincie Noord-Holland en het Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier, het overgrote deel van de wateren binnen de gemeente Zijpe niet geschikt is voor een woonbootligplaats. Binnen de gemeente zijn slechts twee locaties te vinden waar eventueel woonbotenligplaatsen kunnen worden gerealiseerd. Dit zijn de tankvallen in Petten en een deel van een waterpartij, achter de kerk, in 't Zand, aldus de Woonbootnotitie 2009. Het college heeft Bügel/Hajema Adviseurs B.V. laten onderzoeken, of die locaties geschikt zijn voor een ligplaats voor een of meer woonboten. De bevindingen van dit onderzoek zijn vastgelegd in een rapport van 5 september 2008. Hierin is geconcludeerd dat beide locaties negatief scoren en derhalve niet inpasbaar zijn als woonbootligplaats. Deze bevindingen zijn neergelegd in de Woonbootnotitie 2009, waarin is geconcludeerd dat binnen de gemeente Zijpe geen geschikte woonbotenligplaats aanwezig is.
Het aanwijzingsbesluit is in het Zijper Nieuws van 1 april 2009 bekendgemaakt en op 2 april 2009 in werking getreden. Bij de bekendmaking is vermeld dat belanghebbenden tegen dat besluit binnen zes weken na bekendmaking daarvan een bezwaarschrift kunnen indienen bij het college.
3.3. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het aanwijzingsbesluit een concretiserend besluit van algemene strekking is, nu hierin naar plaats en object de toepassing van een in een algemeen verbindend voorschrift - artikel 5.3.2, eerste lid, van de APV - besloten liggende norm is ingevuld. Nu tegen het aanwijzingsbesluit binnen de daarvoor gestelde termijn geen rechtsmiddelen zijn aangewend, is het aanwijzingsbesluit in rechte onaantastbaar geworden. Gelet hierop kan het aanwijzingsbesluit in deze procedure niet worden getoetst en heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de juistheid en volledigheid van het aan dit besluit ten grondslag liggende onderzoek van Bügel Hajema Adviseurs B.V. en de Woonbootnotitie 2009, in deze procedure niet meer aan de orde kunnen komen. Indien [appellant] het aanwijzingsbesluit en de daaraan ten grondslag gelegde stukken had willen laten toetsen, had hij daartegen een rechtsmiddel moeten aanwenden. In dat kader had hij kunnen aanvoeren dat het aanwijzingsbesluit in strijd is met artikel 88 vanPro de Huisvestingswet en had hij het standpunt van het college dat in de gemeente geen geschikte ligplaats voorhanden is, op rechtmatigheid kunnen laten beoordelen. Nu hij dit heeft nagelaten kunnen de betogen niet leiden tot het ermee beoogde resultaat.
4. [appellant] bestrijdt voorts tevergeefs de overweging van de rechtbank, dat het college niet de bevoegdheid kan worden ontzegd om terug te komen van zijn aanvankelijke bereidheid in 2005 om mee te werken aan de realisering van een ligplaats ten zuiden van Oudesluis aan De Akker. De rechtbank heeft daarbij terecht en op goede gronden geoordeeld dat het college deugdelijk heeft gemotiveerd, waarom het van standpunt was veranderd. Daarbij heeft de rechtbank terecht betrokken dat de gemeenteraad op 13 december 2005 heeft besloten geen voorbereidingsbesluit te nemen om een ligplaats op die locatie planologisch mogelijk te maken.
5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. A.W.M. Bijloos en mr. C.J.M. Schuyt, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M.E.A. Neuwahl, ambtenaar van staat.