ECLI:NL:RVS:2013:BY8264
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H.G. Sevenster
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt gegrondverklaring hoger beroep tegen weigering verblijfsdocument
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsdocument op grond van artikel 9, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000, dat rechtmatig verblijf als gemeenschapsonderdaan moest aantonen. De minister wees dit verzoek af en verklaarde het bezwaar ongegrond. De rechtbank bevestigde deze afwijzing, maar de vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat de referent, een Nederlandse Unie-burger, in Duitsland gebruik had gemaakt van zijn recht op vrij verkeer en daar samen met de vreemdeling had gewoond. Tevens stelde zij dat de referent en zijn vader een bedrijfsruimte hadden gehuurd en dat zij zich in Duitsland hadden ingeschreven. Na terugkeer in Nederland had de vreemdeling zich ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. De vreemdeling betoogde dat zij als familielid van een Unie-burger op grond van het VWEU een verblijfsrecht ontleende.
De rechtbank had echter alleen beoordeeld of de referent in Duitsland als zelfstandige economisch actief was geweest en zag geen aanleiding om het aangevoerde ambtshalve aan te vullen, hetgeen in strijd was met de Awb. De Raad van State stelde vast dat de staatssecretaris niet had ingegaan op het verblijfsrecht van de vreemdeling als familielid van een Unie-burger die in Duitsland verbleef en diensten ontving.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van de minister, en beval een nieuw besluit waarbij ook het verzoek om proceskostenvergoeding wordt betrokken. De staatssecretaris werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt gegrond verklaard en het besluit van de minister wordt vernietigd.