ECLI:NL:RVS:2013:983
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- N. Verheij
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen intrekking verblijfsvergunning en inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling had beroep ingesteld tegen het besluit van de minister van 6 januari 2012 waarin zijn verblijfsvergunning voor bepaalde tijd werd ingetrokken en zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd werd afgewezen. Tevens werd op 9 augustus 2012 een inreisverbod tegen hem uitgevaardigd. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarna de vreemdeling hoger beroep instelde bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelde dat het hoger beroep mede betrekking heeft op het inreisverbod en dat de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van het hoger beroep, waardoor het beroep kennelijk niet-ontvankelijk is. De vreemdeling voerde aan dat hij bijzondere omstandigheden had, zoals langdurig verblijf in Nederland, spijt van zijn strafbare feiten en medische problemen, maar deze omstandigheden waren volgens de Afdeling reeds in het beleid betrokken en niet zodanig bijzonder dat van het beleid afgeweken hoefde te worden.
Verder stelde de staatssecretaris dat verwijdering naar Somalië niet mogelijk is vanwege een reëel risico op schending van mensenrechten, maar dat het proportionaliteitsvereiste niet was overschreden. De vreemdeling betoogde dat hij niet naar een derde land kon vertrekken, maar dit was onvoldoende onderbouwd. De Afdeling bevestigde dat de strafrechter moet beoordelen hoe strafrechtelijke consequenties zich verhouden tot het niet kunnen uitzetten van de vreemdeling.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep niet-ontvankelijk en het beroep tegen het inreisverbod ongegrond, zonder proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het inreisverbod wordt ongegrond verklaard.