ECLI:NL:RVS:2013:956
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing schadevergoeding wegens niet tijdig uitreiken verblijfsdocument
De zaak betreft het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, waarin het beroep tegen de afwijzing van een schadevergoedingsverzoek werd ongegrond verklaard. Appellant had een verzoek ingediend voor vergoeding van materiële en immateriële schade vanwege het niet tijdig uitreiken van een verblijfsdocument.
De minister had het verzoek afgewezen op grond van het relativiteitsvereiste uit artikel 6:163 BW Pro en het ontbreken van een oorzakelijk verband tussen de schade en het vertraagd uitreiken. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het hoger beroep richt zich onder meer op de procedurele vraag of de rechtbank ten onrechte het verzoek om verdaging van de zitting had afgewezen.
De Raad van State oordeelt dat het verzoek om verdaging te laat was ingediend en dat er geen bijzondere omstandigheden waren die dit rechtvaardigden. Ook is vastgesteld dat het relativiteitsvereiste niet is betwist in hoger beroep en dat dit vereiste de afwijzing van het schadevergoedingsverzoek kan dragen. Daarnaast is geoordeeld dat het horen in bezwaar terecht is achterwege gebleven omdat het bezwaar kennelijk ongegrond was.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.