ECLI:NL:RVS:2013:936

Raad van State

Datum uitspraak
28 augustus 2013
Publicatiedatum
28 augustus 2013
Zaaknummer
201305065/1/R2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19d Nbw 1998Art. 19g Nbw 1998Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging vergunning vanwege onvoldoende passende beoordeling stikstofdepositie Natura 2000-gebieden

Het college van gedeputeerde staten van Overijssel verleende op 31 januari 2013 een vergunning voor een melkrundveebedrijf nabij diverse Natura 2000-gebieden. Deze vergunning werd verleend op basis van een passende beoordeling, zoals vereist door artikel 19g van de Natuurbeschermingswet 1998, om te waarborgen dat de natuurlijke kenmerken van deze beschermde gebieden niet worden aangetast.

De Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer maakten bezwaar tegen deze vergunning en stelden beroep in nadat het bezwaar ongegrond werd verklaard. Zij voerden aan dat het college ten onrechte volstond met het toepassen van het Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen en de daaraan gekoppelde Beleidsregel, zonder een eigen passende beoordeling.

De Raad van State oordeelde dat het college zich niet voldoende had verzekerd dat het project geen negatieve effecten zou hebben op de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden. De enkele verwijzing naar het Beleidskader en de Beleidsregel voldeed niet aan de vereisten van artikel 19g van de Nbw 1998. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit op bezwaar vernietigd en het college veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

De uitspraak benadrukt het belang van een gedegen en zelfstandige passende beoordeling bij vergunningverlening in het kader van Natura 2000, waarbij niet volstaan kan worden met algemene beleidskaders zonder toetsing aan de specifieke situatie.

Uitkomst: Het beroep is gegrond verklaard en het besluit op bezwaar vernietigd wegens onvoldoende passende beoordeling volgens artikel 19g Nbw 1998.

Uitspraak

201305065/1/R2.
Datum uitspraak: 28 augustus 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A. en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer (hierna: MOB en de vereniging), beide gevestigd te Nijmegen,
appellanten,
en
het college van gedeputeerde staten van Overijssel,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 31 januari 2013 heeft het college aan [vergunninghoudster] een vergunning als bedoeld in artikel 19d van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) verleend voor het melkrundveebedrijf aan de [locatie] te [plaats].
Bij besluit van 24 april 2013, kenmerk 2013/0140461 A13/078, heeft het college het door MOB en de vereniging hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit hebben MOB en de vereniging beroep ingesteld.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
Partijen hebben toestemming, als bedoeld in artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, verleend, waarna de Afdeling het onderzoek heeft gesloten.
Overwegingen
1. Ingevolge artikel 19d, eerste lid, van de Nbw 1998, voor zover relevant, is het verboden zonder vergunning projecten of andere handelingen te realiseren onderscheidenlijk te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstelling de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in een Natura 2000-gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor het gebied is aangewezen.
Ingevolge artikel 19g, eerste lid, kan, indien een passende beoordeling is voorgeschreven, een vergunning als bedoeld in artikel 19d slechts worden verleend indien het college zich op grond van die passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zullen worden aangetast.
2. In de omgeving van de veehouderij bevinden zich de Natura 2000-gebieden Engbertsdijksvenen, Vecht- en Beneden-Reggegebied, Wierdense Veld, Springendal & Dal van de Mosbeek en Sallandse Heuvelrug. Niet in geschil is dat de aangevraagde situatie leidt tot een toename van stikstofdepositie op deze gebieden en dat de vergunning ingevolge artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998 alleen kan worden verleend indien het college zich op grond van een passende beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast.
3. Het college heeft bij het verlenen van de gevraagde vergunning en bij het besluit op bezwaar aansluiting gezocht bij het "Beleidskader Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen" (hierna: het Beleidskader) en de aan de hand daarvan vastgestelde "Beleidsregel Natura 2000 en stikstof voor veehouderijen Overijssel" (hierna: de Beleidsregel). Het college staat op het standpunt dat toepassing van de Beleidsregel en het Beleidskader tezamen kan worden aangemerkt als een passende beoordeling en dat het zich op grond van die beoordeling ervan heeft verzekerd dat de natuurlijke kenmerken van de betrokken gebieden niet zullen worden aangetast.
4. MOB en de vereniging betogen onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 22 mei 2013, in zaak nr. 201107526/1/T1/A4 dat het college de gevraagde vergunning ten onrechte met toepassing van het Beleidskader en de Beleidsregel in bezwaar heeft gehandhaafd.
5. Onder verwijzing naar de hiervoor genoemde uitspraak van 22 mei 2013 overweegt de Afdeling dat het college zich met de enkele verwijzing naar het Beleidskader en de Beleidsregel, in strijd met artikel 19g, eerste lid, van de Nbw 1998, niet ervan heeft verzekerd dat het project niet zal leiden tot een aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken Natura 2000-gebieden.
6. De beroepsgrond slaagt. De overige beroepsgronden behoeven geen bespreking meer.
7. Het beroep is gegrond. Het besluit op bezwaar dient wegens strijd met artikel 19g van de Nbw 1998 te worden vernietigd.
8. Het college dient op na te melden wijze tot vergoeding van de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het college van gedeputeerde staten van Overijssel van 24 april 2013, kenmerk 2013/0140461 A13/078;
III. veroordeelt het college van gedeputeerde staten van Overijssel tot vergoeding van bij de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander;
IV. gelast dat het college van gedeputeerde staten van Overijssel aan de Coöperatie Mobilisation for the Environment U.A., en de Vereniging Stedelijk Leefmilieu, Groen- en Milieubeheer het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 318,00 (zegge: driehonderdachttien euro) vergoedt, met dien verstande dat betaling aan een van hen bevrijdend werkt ten opzichte van de ander.
Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Verbeek, ambtenaar van staat.
w.g. Hagen w.g. Verbeek
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2013
388.