ECLI:NL:RVS:2013:687
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep afgewezen wegens voortduren inreisverbod vreemdeling
De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 9 mei 2012 werd afgewezen. De daaropvolgende bezwaren en het beroep bij de rechtbank werden eveneens ongegrond verklaard. Vervolgens stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Echter, tegen de vreemdeling was op 6 maart 2012 een inreisverbod uitgevaardigd op grond van artikel 66a, zevende lid, van de Vreemdelingenwet 2000, wegens een onherroepelijke veroordeling voor een misdrijf. Dit inreisverbod was onherroepelijk en bleef voortduren. De Afdeling overwoog dat zolang het inreisverbod van kracht is, de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van het beroep tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning, omdat het beroep niet kan leiden tot de gewenste vergunning.
Daarom verklaarde de Afdeling het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer op 31 juli 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling is niet-ontvankelijk verklaard wegens het voortduren van het inreisverbod.