ECLI:NL:RVS:2013:677
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- A.W.M. Bijloos
- A.J. de Heer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluit van 4 november 2010 legde de minister aan verzoekster een boete van €296.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Na bezwaar en beroep stelde de rechtbank het boetebedrag vast op €285.500,- en vernietigde het eerdere besluit deels. Verzoekster stelde hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak om een voorlopige voorziening te treffen om invordering van de boete te voorkomen.
Tijdens de zitting op 22 juli 2013 voerde verzoekster aan dat zij de boete niet kon betalen, ook niet in termijnen, en dat invordering zou leiden tot ernstige financiële problemen en gevaar voor continuïteit van haar bedrijfsvoering. Zij overhandigde jaarrekeningen en een verklaring van haar boekhouder ter onderbouwing.
De voorzitter oordeelde echter dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat invordering tot een financiële noodsituatie zou leiden. De overgelegde documenten waren niet definitief en de verklaring van de boekhouder onvoldoende concreet. Het spoedeisend belang ontbrak daarom.
Het verzoek tot voorlopige voorziening werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening tegen invordering boete Wet arbeid vreemdelingen wordt afgewezen wegens ontbreken spoedeisend belang.