ECLI:NL:RVS:2013:675
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- A.W.M. Bijloos
- A.J. de Heer
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluit van 11 augustus 2010 legde de minister aan verzoekster een boete van €224.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Verzoekster maakte bezwaar en stelde beroep in tegen dit besluit. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het oorspronkelijke besluit, herzag de boete tot €201.600,- en bepaalde dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit.
Verzoekster stelde hoger beroep in en verzocht de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de minister de boete niet zou invorderen voordat op het hoger beroep was beslist. Verzoekster voerde aan dat zij de boete niet kon betalen, ook niet in termijnen, en dat invordering haar bedrijfscontinuïteit ernstig zou schaden.
De voorzitter oordeelde echter dat verzoekster onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat invordering zou leiden tot een acute financiële noodsituatie. De overgelegde jaarrekeningen en verklaringen waren niet toereikend om ernstige liquiditeitsproblemen of faillissementsdreiging concreet te onderbouwen. Daarom werd het spoedeisend belang van het verzoek niet vastgesteld en werd het verzoek afgewezen.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan op 30 juli 2013 door voorzitter Bijloos, in aanwezigheid van ambtenaar van staat De Heer.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de invordering van de boete wordt afgewezen wegens onvoldoende aannemelijkheid van financiële noodsituatie.