ECLI:NL:RVS:2013:661
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling verwijtbaarheid en boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
Bij besluiten van 16 april 2010 legde de minister boetes van in totaal €16.000 op aan appellant wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning, in strijd met artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav).
De rechtbank had het beroep van appellant gegrond verklaard en de boetes vernietigd, stellende dat appellant geen verwijt treft. Zowel appellant als de minister gingen in hoger beroep. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep van appellant ongegrond verklaard en dat van de minister gegrond.
De Afdeling overwoog dat appellant als werkgever in de zin van de Wav moet worden aangemerkt en dat zij verwijtbaar heeft gehandeld door onvoldoende maatregelen te treffen om overtreding van de Wav te voorkomen. De boetes zijn passend en evenredig, mede gelet op de doelstellingen van de Wav en het ontbreken van een disproportionele financiële last voor appellant.
Beroepen op schending van het EVRM, het Handvest van de grondrechten van de EU en overschrijding van redelijke termijnen zijn verworpen. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt vernietigd en het beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: De boetes wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen worden bevestigd en het beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.