ECLI:NL:RVS:2013:650

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2013
Publicatiedatum
7 augustus 2013
Zaaknummer
201202922/1/V1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75a Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid hoger beroep na verlening verblijfsvergunning en proceskostenvergoeding

Bij onderscheiden besluiten van 30 maart 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel de aanvragen van vreemdelingen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 22 februari 2012 deze besluiten vernietigde en de minister opdroeg nieuwe besluiten te nemen.

De vreemdelingen gingen in hoger beroep tegen deze uitspraak. Tijdens de procedure verklaarden zij dat zij inmiddels een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd hadden ontvangen, maar dat zij het hoger beroep pas zouden intrekken nadat zij een proceskostenvergoeding hadden gekregen. De Raad van State oordeelde dat het belang bij het hoger beroep daarmee was komen te vervallen, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

De Raad overwoog dat een proceskostenveroordeling mogelijk is indien de staatssecretaris tegemoet is gekomen, zoals hier het geval is door het alsnog verlenen van de verblijfsvergunning. Daarom veroordeelde de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdelingen, vastgesteld op €472,00, toe te rekenen aan beroepsmatige rechtsbijstand.

De uitspraak werd gedaan door de enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 juli 2013.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard en de staatssecretaris wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €472,00.

Uitspraak

201202922/1/V1.
Datum uitspraak: 31 juli 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[de vreemdelingen], mede voor hun minderjarig kind, (hierna: de vreemdelingen),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 22 februari 2012 in zaken nrs. 11/14374 en 11/14375 in het geding tussen:
de vreemdelingen
en
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister).
Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 30 maart 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel aanvragen van de vreemdelingen om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 22 februari 2012 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, deze besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben de vreemdelingen hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De minister (thans de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie) heeft een verweerschrift ingediend.
De vreemdelingen hebben zich desgevraagd nader uitgelaten.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. De vreemdelingen hebben verklaard dat de staatssecretaris aan hen inmiddels een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd heeft verleend, maar dat zij hun hoger beroep eerst zullen intrekken nadat de staatssecretaris tot vergoeding van bij hen in verband met de behandeling van hun hoger beroep opgekomen proceskosten wordt veroordeeld. Door aldus te verklaren, stellen de vreemdelingen in wezen belang te hebben bij het hoger beroep wegens de door hen gemaakte proceskosten.
2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 23 maart 2005 in zaak no. 200406181/1, geeft de vraag of een proceskostenveroordeling moet worden uitgesproken onvoldoende aanleiding om tot een inhoudelijke beoordeling van de zaak over te gaan. Indien, zoals in dit geval nu hetgeen de vreemdelingen met hun hoger beroep nastreven, is bereikt, afgezien van de vraag of aanleiding bestaat tot een proceskostenveroordeling over te gaan, geen belang meer bestaat bij een beoordeling van de zaak, dient het hoger beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard. Vervolgens moet worden bezien of in de omstandigheden van het geval, en in het bijzonder in de reden voor het vervallen van het procesbelang, grond is gelegen om over te gaan tot een proceskostenveroordeling. Een dergelijke grond kan zijn gelegen in de omstandigheid dat staatssecretaris aan de vreemdelingen is tegemoetgekomen. Met toepassing van artikel 8:75a van de Awb is dan een proceskostenveroordeling mogelijk.
Nu de staatssecretaris de door de vreemdelingen gevraagde verblijfsvergunning alsnog heeft verleend, is hij hun toegemoetgekomen in hiervoor bedoelde zin.
3. Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk.
4. De staatssecretaris dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. veroordeelt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tot vergoeding van bij de vreemdelingen in verband met de behandeling van het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 472,00 (zegge: vierhonderdtweeënzeventig euro), geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.J.C. Robben, ambtenaar van staat.
w.g. Lubberdink w.g. Robben
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2013
610.