ECLI:NL:RVS:2013:569
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluiten herziening kinderopvangtoeslag wegens strijd met artikel 21 Awir
De Belastingdienst had de kinderopvangtoeslag van appellante over 2007 herzien vastgesteld en een deel teruggevorderd. Appellante maakte bezwaar en stelde beroep in tegen deze besluiten. De rechtbank verklaarde de beroepen ongegrond. In hoger beroep stelde appellante dat de herziening niet aan de wettelijke vereisten voldeed en dat de Belastingdienst in strijd met het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur had gehandeld.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de Belastingdienst bij de definitieve vaststelling van de toeslag op 10 juli 2009 redelijkerwijs op de hoogte had kunnen zijn van het ontbreken van bewijs van kosten van kinderopvang, waardoor de herzieningsbevoegdheid op grond van artikel 21 Awir Pro niet meer kon worden uitgeoefend. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel en het verbod van willekeur behoefde geen bespreking meer. Ook werd geoordeeld dat de redelijke termijn niet was overschreden.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en de bestreden besluiten van de Belastingdienst, herroept eerdere besluiten en bepaalt dat het besluit van 10 juli 2009 herleeft. Tevens veroordeelde zij de Belastingdienst tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en de besluiten van de Belastingdienst worden vernietigd met vergoeding van proceskosten.