ECLI:NL:RVS:2013:547
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit ongewenstverklaring wegens strijd met Terugkeerrichtlijn en Awb
De minister voor Immigratie en Asiel verklaarde de vreemdeling op 5 september 2011 ongewenst. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 23 februari 2012 werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit. De minister ging in hoger beroep.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de rechtbank ten onrechte had aangenomen dat de nieuwe regeling voor inreisverboden (afdeling 3 van hoofdstuk 6 Vw 2000) van toepassing was op de vreemdeling, omdat deze regeling pas op 31 december 2011 in werking trad en de vreemdeling al op 17 oktober 2011 was uitgezet. Wel stelde de Afdeling vast dat de ongewenstverklaring onder de definitie van een inreisverbod valt en dat de duur daarvan volgens de Terugkeerrichtlijn in principe maximaal vijf jaar mag zijn, tenzij sprake is van een ernstige bedreiging.
De staatssecretaris had de ongewenstverklaring onbepaalde tijd opgelegd en was niet ingegaan op het betoog van de vreemdeling dat dit in strijd was met artikel 11, tweede lid, van de Terugkeerrichtlijn. Daarom werd het besluit van 23 februari 2012 vernietigd en werd de staatssecretaris opgedragen binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, waarbij de duur van de ongewenstverklaring conform de richtlijn moet worden bepaald. Tevens werd de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.
Uitkomst: Het besluit van 23 februari 2012 tot handhaving van de ongewenstverklaring wordt vernietigd en de staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van de Terugkeerrichtlijn.