ECLI:NL:RVS:2013:532
Raad van State
- Hoger beroep
- A.B.M. Hent
- G. van der Wiel
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering verblijfsvergunning in strijd met artikel 8 EVRM niet onrechtmatig
De zaak betreft het hoger beroep van de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel tegen een uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage die het bezwaar van een vreemdeling tegen de weigering van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd gegrond had verklaard.
De vreemdeling, geboren in 1989, betoogde dat het besluit in strijd was met haar recht op gezinsleven zoals beschermd door artikel 8 van Pro het EVRM, aangezien zij sinds 2002 in Nederland verblijft en haar vader haar niet naar de Democratische Republiek Congo (DRC) kan vergezellen vanwege een ongeldig paspoort. De staatssecretaris stelde dat het algemeen belang bij een restrictief toelatingsbeleid zwaarder woog en dat de vader een reisdocument kan aanvragen om het gezinsleven in de DRC voort te zetten.
De Raad van State oordeelt dat het op de vreemdeling rust om aannemelijk te maken dat er een objectieve belemmering is om het gezinsleven buiten Nederland voort te zetten. De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris onvoldoende had gemotiveerd dat het niet mogelijk is om het gezinsleven in de DRC voort te zetten. De Raad vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep van de vreemdeling ongegrond.
Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de weigering van de verblijfsvergunning bevestigd.