ECLI:NL:RVS:2013:436
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- A.B.M. Hent
- J.J. van Eck
- Rechtspraak.nl
Bevestiging matiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde aan [wederpartij] een boete van €8.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), omdat een Bulgaarse werknemer zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtte. De rechtbank Breda matigde de boete tot €4.000 en verklaarde het beroep van [wederpartij] gegrond. De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De Raad van State overwoog dat het de eigen verantwoordelijkheid van een werkgever is om te controleren of aan de Wav wordt voldaan, ongeacht de positie in de keten of of de werkzaamheden tot de kernactiviteiten behoren. Echter, omdat [wederpartij] een aannemingsovereenkomst had gesloten met [bedrijf A], waarin schriftelijke toestemming voor uitbesteding was vereist, maar [bedrijf A] zonder toestemming de werkzaamheden had uitbesteed, kon de overtreding [wederpartij] in verminderde mate worden verweten.
Daarom achtte de Afdeling de matiging van de boete met 50% passend en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €944 en griffierecht van €466.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de matiging van de boete tot €4.000 wegens verminderde verwijtbaarheid van de werkgever.