ECLI:NL:RVS:2013:424

Raad van State

Datum uitspraak
16 juli 2013
Publicatiedatum
24 juli 2013
Zaaknummer
201205838/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H. Troostwijk
  • E. Steendijk
  • N. Verheij
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 72 lid 3 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen niet-ontvankelijkverklaring asielaanvraag niet gegrond verklaard

De minister voor Immigratie en Asiel heeft op 30 november 2011 het bezwaar van een vreemdeling tegen de weigering om zijn asielaanvraag formeel te laten indienen niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank 's-Gravenhage heeft op 9 mei 2012 dit besluit vernietigd en de minister opgedragen een nieuw besluit te nemen.

De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft overwogen dat de weigering om de asielaanvraag formeel te laten indienen niet kan worden aangemerkt als een handeling in de zin van artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000, omdat de vreemdeling zijn bezwaren over de ingangsdatum van een eventueel te verlenen verblijfsvergunning kan voorleggen in een procedure tegen het besluit op zijn formeel ingediende asielaanvraag.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank dit niet heeft onderkend en verklaart het hoger beroep van de staatssecretaris gegrond. Het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 30 november 2011 wordt ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 30 november 2011 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

201205838/1/V2.
Datum uitspraak: 16 juli 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel (hierna: de minister),
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 mei 2012 in zaak nr. 11/41355 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 30 november 2011 heeft de minister voor Immigratie en Asiel het door de vreemdeling gemaakte bezwaar tegen de weigering hem een asielaanvraag formeel te laten indienen niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 9 mei 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister, thans: de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris worden tevens verstaan diens rechtsvoorgangers.
2. De staatssecretaris betoogt in de grief dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de weigering de vreemdeling een asielaanvraag formeel te laten indienen moet worden aangemerkt als een handeling, bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000). Volgens de staatssecretaris heeft de rechtbank, door daartoe te overwegen dat deze weigering voor de vreemdeling rechtens relevant is, nu de datum van indiening van de asielaanvraag bepalend is voor het moment waarop hij in aanmerking kan komen voor een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd, niet onderkend dat de verlening van een verblijfsvergunning een onzekere toekomstige gebeurtenis is en de vreemdeling zijn bezwaren over de ingangsdatum ervan in het kader van een procedure tegen het besluit op zijn asielaanvraag naar voren kan brengen.
2.1. Aangezien de vreemdeling, zoals staatssecretaris terecht aanvoert, zijn bezwaren over de ingangsdatum van een eventueel aan hem te verlenen verblijfsvergunning naar voren kan brengen in het kader van een procedure tegen het besluit op zijn op 5 december 2011 alsnog formeel ingediende asielaanvraag, is de in de brieven van 11 en 14 oktober 2011 neergelegde weigering van de staatssecretaris de vreemdeling een asielaanvraag formeel te laten indienen niet aan te merken als een handeling, bedoeld in artikel 72, derde lid, van de Vw 2000. De rechtbank heeft dit niet onderkend.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 30 november 2011 alsnog ongegrond verklaren.
4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 9 mei 2012 in zaak nr. 11/41355;
III. verklaart het in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, mr. E. Steendijk en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M. Klinkers, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Klinkers
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2013
549.