ECLI:NL:RVS:2013:418
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- G. van der Wiel
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongegrondheid beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel
De minister voor Immigratie en Asiel wees op 19 mei 2011 de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank 's-Gravenhage, die op 30 maart 2012 het besluit vernietigde en de minister opdroeg een nieuw besluit te nemen.
De minister, inmiddels staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State onderzocht onder meer of de verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten terecht aan het besluit ten grondslag was gelegd en of het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht had.
De Raad oordeelde dat de minister terecht de verklaring van het Bureau Documenten gebruikte, waarin werd vastgesteld dat de lidmaatschapskaarten van de Nepalese politieke partij Rastriya Prajatantra Party mogelijk niet authentiek waren. Tevens vond de Raad dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd waarom het asielrelaas onvoldoende overtuigend was, ondanks de eerdere beoordeling van de rechtbank.
Daarom verklaarde de Raad het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.