ECLI:NL:RVS:2013:351
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- H. Troostwijk
- C.M. Woestenburg-Bertels
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen boete Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde op 12 augustus 2010 aan verzoekster een boete van €32.000,- op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen. Na bezwaar verklaarde de minister dit ongegrond. De rechtbank vernietigde het besluit en stelde de boete vast op €28.800,-. Zowel verzoekster als de minister gingen in hoger beroep. Verzoekster verzocht vervolgens om een voorlopige voorziening tot opschorting van de boete.
De voorzitter behandelde het verzoek op 8 juli 2013. Verzoekster stelde dat betaling van de boete tot financiële problemen zou leiden, maar kon dit niet onderbouwen. Hierdoor was het spoedeisend belang niet aangetoond. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
De uitspraak bevestigt dat voor het treffen van een voorlopige voorziening een duidelijk spoedeisend belang vereist is, dat in dit geval ontbrak. De boete blijft derhalve ongewijzigd van kracht totdat het hoger beroep is beslist.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tot opschorting van de boete wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.