ECLI:NL:RVS:2013:341
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boeteoplegging wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen
De minister legde op 13 mei 2011 aan [appellant], handelend onder de naam [bedrijf], een boete van €18.000 op wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). Deze boete werd gehandhaafd na bezwaar en door de rechtbank Amsterdam ongegrond verklaard in het beroep van [appellant].
De overtreding bestond uit het feit dat op 15 januari 2011 drie vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning werkzaamheden verrichtten in de onderneming van [appellant]. [Appellant] voerde aan dat hij niet als werkgever kon worden aangemerkt omdat hij niet aanwezig was en geen opdracht had gegeven voor de werkzaamheden, maar de Raad oordeelde dat feitelijk werkgeverschap ook kan bestaan zonder gezagsverhouding of instemming.
Verder stelde [appellant] dat de boete vanwege de slechte financiële situatie van zijn onderneming gematigd had moeten worden. De Raad overwoog dat de minister een discretionaire bevoegdheid heeft die moet worden afgestemd op de ernst en omstandigheden van de overtreding. Gezien de financiële gegevens was geen sprake van een onevenredige last. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De boete van €18.000 wegens overtreding van de Wet arbeid vreemdelingen wordt bevestigd.