ECLI:NL:RVS:2013:280
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- C.J. Borman
- E. Steendijk
- Rechtspraak.nl
Intrekking verblijfsvergunning wegens schijnhuwelijk in vreemdelingenrecht
De staatssecretaris van Veiligheid en Justitie trok op 15 oktober 2007 de verblijfsvergunningen van drie vreemdelingen in en wees een verzoek tot wijziging van de verblijfsvergunning af. De rechtbank 's-Gravenhage verklaarde de beroepen tegen deze besluiten gegrond en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moest nemen.
De staatssecretaris ging in hoger beroep en stelde dat het huwelijk tussen vreemdeling 1 en haar echtgenoot een schijnhuwelijk was, bedoeld om een verblijfsrecht te verkrijgen. Dit standpunt was gebaseerd op feiten zoals de korte tijd tussen het beëindigen van het vorige huwelijk en het sluiten van het nieuwe, verklaringen van betrokkenen over het oogmerk van het huwelijk, en het ontbreken van samenwoning.
De rechtbank had dit niet als voldoende bewijs gezien en oordeelde dat de omstandigheden niet wezen op een schijnhuwelijk. De Raad van State oordeelde echter dat bij een samenhangende beoordeling van alle feiten en omstandigheden het huwelijk wel als schijnhuwelijk moest worden aangemerkt.
Daarom vernietigde de Raad de uitspraken van de rechtbank en verklaarde de beroepen van de vreemdelingen ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen van de vreemdelingen tegen de intrekking van hun verblijfsvergunningen worden ongegrond verklaard wegens schijnhuwelijk.