ECLI:NL:RVS:2013:2725
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling rechtmatigheid afwijzing verblijfsvergunning en inreisverbod
De vreemdeling diende meerdere aanvragen in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, die telkens werden afgewezen. Bij het besluit van 12 maart 2012 werd tevens een inreisverbod van twee jaar opgelegd. De voorzieningenrechter had het beroep van de vreemdeling tegen dit besluit gegrond verklaard en het besluit vernietigd.
De minister stelde hoger beroep in en voerde aan dat de voorzieningenrechter ten onrechte niet had getoetst of de vreemdeling nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een hernieuwde toetsing rechtvaardigen. De Afdeling oordeelde dat de voorzieningenrechter dit beoordelingskader had moeten toepassen en dat de vreemdeling geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die afdoen aan het eerdere besluit.
Voorts werd geoordeeld dat het inreisverbod voor het eerst werd opgelegd en daarom afzonderlijk getoetst moest worden. De vreemdeling voerde aan dat het inreisverbod onterecht was vanwege de situatie in Irak, medische klachten en het gebruik van een niet-beëdigde tolk. Deze gronden faalden omdat de situatie in Irak niet zodanig was dat bescherming geboden moest worden, medische klachten niet waren onderbouwd en het inreisverbod niet aan de orde was tijdens het gehoor waarbij de tolk werd gebruikt.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep van de minister gegrond, vernietigde de uitspraak van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen het besluit van 12 maart 2012 wordt ongegrond verklaard en het inreisverbod bevestigd.