ECLI:NL:RVS:2013:2712
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- C.J. Borman
- G. van der Wiel
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onjuiste toepassing nareisbeleid
De minister van Buitenlandse Zaken wees op 14 april 2011 de aanvraag van een vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank die het besluit bevestigde, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de uitleg van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000, dat bepaalt dat een verblijfsvergunning kan worden verleend aan vreemdelingen die feitelijk tot het gezin van een toegelaten vluchteling behoren, ook als het gezinsverband tijdelijk is ontwricht door omstandigheden zoals vlucht.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte het standpunt van de staatssecretaris onderschreef dat de vreemdeling niet aan de vereisten van het nareisbeleid voldeed, omdat het gezinsverband in een derde land was ontstaan en tijdelijk was ontwricht door de vlucht van de referente. De Raad vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 28 oktober 2011 en verklaarde het beroep gegrond.
Daarnaast veroordeelde de Raad de staatssecretaris tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan de vreemdeling en de referente.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd en het beroep gegrond verklaard.