ECLI:NL:RVS:2013:2707
Raad van State
- Hoger beroep
- M.G.J. Parkins-de Vin
- E. Steendijk
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling ongewenstverklaring vreemdeling ondanks gezinslevenbescherming artikel 8 EVRM
De minister voor Immigratie, Integratie en Asiel verklaarde de vreemdeling op 20 april 2012 ongewenst in Nederland. De vreemdeling maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 10 oktober 2012 werd gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond wegens onvoldoende motivering van de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro, met name ten aanzien van het gezinsleven met het minderjarige kind.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de belangenafweging onvoldoende was gemotiveerd. Volgens de staatssecretaris was een uitgebreide, op de situatie toegespitste afweging gemaakt, waarbij rekening was gehouden met de Boultif- en Üner-criteria uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.
De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris alle relevante belangen had betrokken, waaronder het gevaar voor de openbare orde door een opiumdelict, het verblijfspatroon van de vreemdeling, en de mogelijkheid van het gezin om zich elders te vestigen. De Raad vernietigde de uitspraken van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond, waarmee de ongewenstverklaring stand hield.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt de terughoudende toetsing van rechterlijke instanties bij belangenafwegingen onder artikel 8 EVRM Pro in het kader van vreemdelingenrecht en het restrictieve toelatingsbeleid van Nederland.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling tegen de ongewenstverklaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraken van de rechtbank worden vernietigd.