ECLI:NL:RVS:2013:2689
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- R. van der Spoel
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking verblijfsvergunning en ongegrondverklaring beroep tegen terugkeerbesluit
De minister voor Immigratie en Asiel heeft op 9 december 2011 de verblijfsvergunning regulier voor onbepaalde tijd van de vreemdeling ingetrokken en hem ongewenst verklaard. Hiertegen maakte de vreemdeling bezwaar, waarbij het bezwaar tegen de intrekking ongegrond werd verklaard en het bezwaar tegen de ongewenstverklaring gegrond, waarna de vreemdeling werd opgedragen Nederland onmiddellijk te verlaten en een inreisverbod werd opgelegd.
De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze besluiten op 10 december 2012 ongegrond. De vreemdeling stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat het hoger beroep voor zover gericht tegen de intrekking van de verblijfsvergunning niet-ontvankelijk was, omdat de vreemdeling geen belang had bij de beoordeling daarvan.
Het hoger beroep tegen het inreisverbod en het terugkeerbesluit van 28 mei 2013 werd inhoudelijk behandeld. De vreemdeling voerde aan dat het risico dat hij zich aan toezicht zou onttrekken onterecht werd aangenomen. De Raad stelde vast dat de vreemdeling meerdere negatieve factoren niet had betwist, zoals het niet tijdig verlaten van Nederland, het ontbreken van een vaste woonplaats en onvoldoende middelen van bestaan. Deze omstandigheden rechtvaardigen het oordeel dat het risico op het onttrekken aan toezicht bestaat.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep tegen het terugkeerbesluit ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak op 24 december 2013.
Uitkomst: Het hoger beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het terugkeerbesluit is ongegrond verklaard.