ECLI:NL:RVS:2013:2647

Raad van State

Datum uitspraak
24 december 2013
Publicatiedatum
24 december 2013
Zaaknummer
201306713/1/V6
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:3 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing verzoek Nederlanderschap na bewijsnood en taakvereiste

Appellant verzocht om het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd op 27 juli 2012 door de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties afgewezen. Hiertegen maakte appellant bezwaar, dat op 11 september 2012 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant beroep in bij de rechtbank Midden-Nederland, die op 11 juni 2013 het beroep ongegrond verklaarde.

Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. Hij voerde aan dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat de staatssecretaris terecht was afgezien van een hoorzitting op grond van artikel 7:3 Awb Pro, omdat hij zijn beroep op bewijsnood niet nader had hoeven te onderbouwen. De Raad van State oordeelde dat de staatssecretaris appellant vooraf bij brieven had verzocht een taakera te overleggen en dat het duidelijk was dat zonder deze taakera en zonder onderbouwing van bewijsnood het bezwaar niet tot een ander besluit kon leiden.

De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van het Nederlanderschapverzoek bevestigd.

Uitspraak

201306713/1/V6.
Datum uitspraak: 24 december 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te Vianen,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, van 11 juni 2013 in zaak nr. 12/4205 in het geding tussen:
[appellant]
en
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.
Procesverloop
Bij besluit van 27 juli 2012 heeft de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties het verzoek van [appellant] om aan hem het Nederlanderschap te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 11 september 2012 heeft de minister het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 11 juni 2013 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 december 2013, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, is verschenen.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
2. Ingevolge artikel 7:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) stelt een bestuursorgaan, voordat het op het bezwaar beslist, belanghebbenden in de gelegenheid te worden gehoord.
Ingevolge artikel 7:3, aanhef en onder b, kan van het horen van een belanghebbende worden afgezien indien het bezwaar kennelijk ongegrond is.
3. [appellant] betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat de staatssecretaris terecht met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van het horen heeft afgezien. Hiertoe voert [appellant] aan dat de rechtbank in dit verband ten onrechte heeft overwogen dat hij zijn beroep op bewijsnood nader had moeten onderbouwen. Nu een hoorzitting in bezwaar ertoe dient om een nadere toelichting te geven, is het volgens [appellant] echter niet van belang of de bezwaargronden nader konden worden onderbouwd. Gelet op de motivering van het besluit van 27 juli 2012 kon voorts van hem niet worden verwacht om met zodanige onderbouwing te komen, aldus [appellant].
3.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.
3.2. Vóór het besluit van 27 juli 2012 heeft de staatssecretaris [appellant] bij brieven van 11 mei en 19 juni 2012 in de gelegenheid gesteld een taskera over te leggen. Gelet op het standpunt van de staatssecretaris in het besluit van 27 juli 2012 dat [appellant] geen taskera heeft overgelegd alsmede dat hij zijn beroep op bewijsnood niet met stukken heeft gestaafd, had het voor [appellant] duidelijk moeten zijn dat hij een taskera diende over te leggen dan wel dat hij zijn beroep op bewijsnood met stukken diende te staven. Aangezien [appellant] bij zijn bezwaarschrift geen taskera heeft overgelegd en zodanige staving van de gestelde bewijsnood heeft nagelaten, is de conclusie van de staatssecretaris gerechtvaardigd dat het bezwaar van [appellant] in zoverre niet kon leiden tot een andersluidend besluit. Derhalve is de rechtbank terecht tot de bestreden overweging gekomen.
Het betoog faalt.
4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.
w.g. Parkins-de Vin w.g. De Heer
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 december 2013
636.