ECLI:NL:RVS:2013:2525
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- H. Troostwijk
- A.B.M. Hent
- Rechtspraak.nl
Bevestiging vreemdelingenbewaring ondanks klacht over niet horen minderjarige kinderen
Bij besluiten van 21 augustus 2013 zijn vreemdelingen, waaronder minderjarige kinderen, in vreemdelingenbewaring gesteld. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. De vreemdelingen stelden hoger beroep in tegen deze uitspraak.
De vreemdelingen klaagden dat de rechtbank ten onrechte oordeelde dat de ouders ook als wettelijk vertegenwoordiger van hun minderjarige kinderen zijn gehoord, en dat de kinderen zelf niet zijn gehoord, wat volgens artikel 12 van Pro het IVRK vereist zou zijn. De rechtbank had marginaal getoetst en aangenomen dat de ouders de belangen van hun kinderen hadden kunnen behartigen.
De Raad van State overwoog dat artikel 12 IVRK Pro alleen vereist dat het kind zelf wordt gehoord bij tegengestelde belangen tussen kind en ouders. Dit was niet gesteld of gebleken. Gezien het gelijktijdig in bewaring stellen van het gezin kon volstaan worden met het horen van de ouders. Uit het proces-verbaal bleek dat de ouders als wettelijk vertegenwoordiger van de kinderen zijn gehoord.
Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, met een verbetering van de gronden. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.