201305633/1/A2.
Datum uitspraak: 18 december 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de Gors- en Ambachtsheerlijkheid van Zuid-Beijerland (hierna: de heerlijkheid), gevestigd te Oud-Beijerland,
appellante,
en
de staatssecretaris van Economische Zaken,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft de staatssecretaris een verzoek van de heerlijkheid om nadeelcompensatie afgewezen.
Bij besluit van 13 mei 2013 heeft de staatssecretaris het door de heerlijkheid daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft de heerlijkheid beroep ingesteld.
De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 november 2013, waar de heerlijkheid, vertegenwoordigd door mr. E.E. Schaake en mr. G.C.W. van der Feltz, beiden advocaat te Den Haag, vergezeld door J. Verhagen en H. Flieringa, en de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. P.J. Kooiman, werkzaam bij de Dienst Regelingen van het Ministerie van Economische Zaken, zijn verschenen.
Overwegingen
1. Bij besluit van 1 november 1971 (hierna: het aanwijzingsbesluit) heeft de staatssecretaris van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk de Oosterse en Westerse Laagjes (hierna: de Laagjes), een buitendijks gebied met een oppervlakte van ongeveer 110 hectare aan de zuidkant van de Hoeksche Waard, op grond van de Natuurbeschermingswet 1967 aangewezen als beschermd natuurmonument. Ingevolge artikel 60 van de Natuurbeschermingswet 1998 geldt dit besluit als besluit dat is genomen op grond van artikel 10 van die wet.
2. De heerlijkheid is eigenaar van gronden in de Laagjes en exploiteert deze gronden als agrarisch gebied. Bij brief van 12 juni 2012 heeft zij de staatssecretaris verzocht om vergoeding van de schade die zij in het voorjaar van 2011 heeft geleden aan de graslanden in de Laagjes, vanwege begrazing door grauwe ganzen en brandganzen, als gevolg van het aanwijzingsbesluit. Daartoe heeft zij gewezen op de aantrekkelijkheid van deze graslanden voor ganzen. Voorts heeft zij aangevoerd dat het aantal ganzen de laatste jaren sterk is toegenomen en dat het college van gedeputeerde staten van
Zuid-Holland, vanwege de status van de Laagjes als beschermd natuurmonument, geen vergunning voor het opzettelijk verontrusten en doden van ganzen mag verlenen.
3. Aan de afwijzing van dat verzoek heeft de staatssecretaris onder meer ten grondslag gelegd dat er geen oorzakelijk verband is tussen het aanwijzingsbesluit en de gestelde schade.
4. De heerlijkheid betoogt dat de staatssecretaris heeft miskend dat de gestelde schade een gevolg van het aanwijzingsbesluit is. Indien de Laagjes niet de status van beschermd natuurmonument hadden gekregen, zou er geen beletsel voor de ganzenjacht bestaan, zodat de schade kon worden voorkomen of op zijn minst worden beperkt.
4.1. Ingevolge artikel 31 van de Natuurbeschermingswet 1998 (hierna: de Nbw 1998) kent de staatssecretaris een belanghebbende op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe, voor zover hij ten gevolge van een besluit tot aanwijzing van een gebied op grond van artikel 10 van deze wet, schade lijdt of zal lijden, die redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd.
4.2. Artikel 31 van de Nbw 1998 biedt slechts een grondslag voor vergoeding van door grauwe ganzen en brandganzen veroorzaakte schade, indien en voor zover deze schade kan worden aangemerkt als een rechtstreeks gevolg van een besluit om een natuurmonument als beschermd natuurmonument aan te wijzen.
Voor zover de schade niet was ontstaan als de Laagjes niet de status van beschermd natuurmonument zouden hebben gekregen, brengt dat nog niet met zich dat de schade in een zodanig nauw verband met het aanwijzingsbesluit staat, dat de schade de staatssecretaris, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een rechtstreeks gevolg van dat besluit kan worden toegerekend. In het in beroep aangevoerde kan geen grond worden gevonden voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte het standpunt heeft ingenomen dat de schade is te herleiden tot de toename van het aantal ganzen dat in de Laagjes verblijft en dat een rechtstreeks oorzakelijk verband met het aanwijzingsbesluit ontbreekt. In dit verband is het zeer ruime tijdsverloop tussen het aanwijzingsbesluit en het ontstaan van de schade niet zonder betekenis. Voorts is van belang dat, naar de heerlijkheid heeft erkend, het na de inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit nog steeds mogelijk was om ter voorkoming of beperking van schade door ganzenvraat in de Laagjes te jagen en dat beperkingen aan de ganzenjacht eerst veel later in het provinciale beleid zijn vastgesteld. De staatssecretaris heeft het verzoek om nadeelcompensatie reeds hierom terecht afgewezen.
Het betoog faalt.
5. Het beroep is ongegrond.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. P.B.M.J. van der Beek-Gillessen, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.J.R. Hazen, ambtenaar van staat.
w.g. Van der Beek-Gillessen w.g. Hazen
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2013
452.