ECLI:NL:RVS:2013:2440

Raad van State

Datum uitspraak
12 december 2013
Publicatiedatum
18 december 2013
Zaaknummer
201211589/1/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 31 Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd

De vreemdeling had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, welke door de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel op 17 april 2012 werd afgewezen. De vreemdeling stelde beroep in bij de rechtbank, die op 16 november 2012 het beroep gegrond verklaarde, het besluit vernietigde en de staatssecretaris opdroeg een nieuw besluit te nemen.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. Hij stelde dat de rechtbank ten onrechte had geoordeeld dat hij zich bij zijn besluit uitsluitend had beperkt tot de toetsing op grond van artikel 4:6 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), terwijl hij het asielrelaas van de vreemdeling inhoudelijk had beoordeeld op grond van artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de staatssecretaris terecht verwees naar het eerdere besluit van 1 september 2009, dat met de uitspraak van 31 maart 2011 in rechte onaantastbaar was geworden. Omdat de vreemdeling geen nieuwe stukken had overgelegd die tot een ander oordeel zouden leiden, was er geen reden om het eerdere standpunt te herzien. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.

Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

201211589/1/V2.
Datum uitspraak: 12 december 2013
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 16 november 2012 in zaak nr. 12/15992 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 17 april 2012 heeft de minister voor Immigratie, Integratie en Asiel een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 16 november 2012 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.
De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
Overwegingen
1. Onder de staatssecretaris wordt tevens verstaan: diens rechtsvoorganger.
1.1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij zich bij de beoordeling van de aanvraag naar aanleiding waarvan hij het besluit van 17 april 2012 heeft genomen, heeft beperkt tot de vraag of er nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn die afbreuk kunnen doen aan het eerdere besluit van 1 september 2009 en daarmee het toetsingskader van artikel 4:6 van Pro de Awb heeft toegepast. Hiertoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat hij het asielrelaas van de vreemdeling wel degelijk krachtens artikel 31 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) inhoudelijk heeft beoordeeld, welke beoordeling hij terecht mede heeft gebaseerd op gegevens die in de vorige procedure reeds in rechte zijn komen vast te staan.
1.2. De staatssecretaris heeft zijn standpunt dat hij de vreemdeling artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 tegenwerpt, alsmede dat het asielrelaas van de vreemdeling positieve overtuigingskracht mist en niet geloofwaardig is, voornamelijk doen steunen op hetgeen hij in het besluit van 1 september 2009, waarbij hij een aanvraag van de vreemdeling om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor onbepaalde tijd heeft afgewezen, daarover heeft overwogen. Dat de staatssecretaris voor zijn standpunt over artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en over de geloofwaardigheid van het asielrelaas heeft verwezen naar zijn besluit van 1 september 2009, welk besluit met de uitspraak van de Afdeling van 31 maart 2011 in zaak nr. 201007053/1/V2 in rechte onaantastbaar is geworden, wil niet zeggen dat hij toepassing heeft gegeven aan artikel 4:6 van Pro de Awb. Nu de vreemdeling in de onderhavige procedure geen stukken heeft overgelegd die tot een ander oordeel leiden over artikel 31, tweede lid, aanhef en onder f, van de Vw 2000 en de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas dan het in het besluit van 1 september 2009 neergelegde standpunt, bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet in redelijkheid met een verwijzing naar dat besluit heeft kunnen volstaan. De grief slaagt.
2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog ongegrond verklaren.
3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 16 november 2012 in zaak nr. 12/15992;
III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, voorzitter, en mr. G. van der Wiel en mr. N. Verheij, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van staat.
w.g. Troostwijk w.g. Wolff
voorzitter ambtenaar van staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2013
238.