ECLI:NL:RVS:2013:2385
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.W.M. Bijloos
- C.J. Borman
- Rechtspraak.nl
Bevestiging boete wegens overtreding Wet arbeid vreemdelingen ondanks beroep op zelfstandigheid en gelijkheidsbeginsel
De zaak betreft het hoger beroep van een onderneming tegen een boete opgelegd door de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid wegens overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav). De boete werd aanvankelijk vastgesteld op €48.000, na bezwaar verlaagd naar €32.000 en door de rechtbank verder gematigd tot €16.000.
De onderneming voerde aan dat de vreemdelingen als zelfstandigen werkten en dat eerdere boetes in vergelijkbare gevallen waren ingetrokken, waardoor het opleggen van deze boete in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. Tevens stelde zij dat het boeterapport onzorgvuldig tot stand was gekomen en dat zij te goeder trouw had gehandeld.
De Raad van State oordeelde dat de vreemdelingen onder gezag van de onderneming werkten en dat het gebruik van eigen gereedschap niet afdoet aan het gezagscriterium. De eerdere intrekkingen van boetes in andere zaken waren niet vergelijkbaar met deze zaak. Daarnaast was de boete passend en evenredig, en had de onderneming onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij alles had gedaan om overtreding te voorkomen.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, waarmee de boete van €16.000 gehandhaafd bleef.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de boete van €16.000 wegens het laten verrichten van arbeid door vreemdelingen zonder tewerkstellingsvergunning.