ECLI:NL:RVS:2013:2230
Raad van State
- Hoger beroep
- H.G. Lubberdink
- A.B.M. Hent
- N. Verheij
- Rechtspraak.nl
Vaststelling weigering verblijfsvergunning vreemdelingen in het licht van artikel 8 EVRM en EU-burgerschap
De zaak betreft het hoger beroep van de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie tegen een uitspraak van de rechtbank die de weigering van verblijfsvergunningen aan een Nigeriaanse familie vernietigde. De vreemdelingen hadden bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun aanvragen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd.
De rechtbank had geoordeeld dat de staatssecretaris de belangenafweging onder artikel 8 EVRM Pro onvoldoende had gemotiveerd, met name door onvoldoende rekening te houden met het familie- en gezinsleven van de oudste minderjarige dochter met de Nederlandse nationaliteit. De Raad van State stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de staatssecretaris niet alle relevante feiten en omstandigheden heeft betrokken, en dat de belangenafweging zorgvuldig en met terughoudendheid moet worden getoetst.
De Raad van State oordeelt dat het gezinsleven ook buiten Nederland kan worden voortgezet en dat de vreemdelingen onvoldoende aannemelijk hebben gemaakt dat het kind met de Nederlandse nationaliteit gedwongen wordt het grondgebied van de Unie te verlaten. Ook het beroep op artikel 14 EVRM Pro wordt verworpen. Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de beroepen van de vreemdelingen ongegrond verklaard.